autorijden op voedsel: schone schijn

Autorijden op biobrandstof uit voedselgewassen als mais, suikerriet of palmolie, het leek zo mooi. In Europa mag 7% olie uit voedselgewassen in benzine en diesel worden bijgemengd, in Nederland 5%. Nederland en de EU buigen zich er nu over of dat zo moet blijven. Leontien Aarnoudse sprak erover met twee milieuwetenschappers. ‘Als je naar de life cycle kijkt van biobrandstoffen, dan blijkt uit sommige studies dat meer CO2 vrijkomt bij biobrandstof dan bij fossiele brandstof.’

08-06-2018 | 11:10

Op de vijfde etage van het W&N-gebouw: het Instituut voor Milieuvraagstukken. ‘Philipp Pattberg’, zegt de hoogleraar Milieuanalyse met een Duits accent, hij geeft een ferme handdruk. Aan tafel zit hoogleraar Milieueconomie  Marjan Hofkes al.

Sinds biodiesel de afgelopen vijftien jaar flink gestimuleerd wordt in de Europese Unie en aan populariteit wint, luidt er ook kritiek. Biobrandstof gemaakt van voedselgewassen zou druk leggen op schaarse landbouwgrond, leiden tot monoculturen, biodiversiteitsafname en broeikasgassen veroorzaken.

Rijden en vliegen op voedsel, leidt dat ook tot voedseltekorten en duur eten?
P: ‘Mijn afdeling doet aan life cycle analysis, waarbij je alle aspecten onderzoekt: van plant tot tank. En biobrandstof is niet alleen in competitie met voedsel, maar ook met water en land. Als je naar de life cycle kijkt van biobrandstoffen, dan blijkt uit sommige studies dat meer CO2 vrijkomt bij biobrandstof dan bij fossiele brandstof.’

H: ‘In de jaren zeventig was de productie van biobrandstof kleinschalig en lokaal. Maar door overheidsbeleid is het enorm gestimuleerd met subsidies. En dat heeft de vraag kunstmatig omhoog gedrukt, waardoor er een internationale markt is ontstaan. Toen is de discussie op gang gekomen over hoe biobrandstof de voedselzekerheid kan bedreigen.’

‘Biobrandstof is volgens sommige studies slechter voor het klimaat dan gewone benzine’

P: ‘Mag ik even aanvullen? In 2008 was er een internationale voedselcrisis. De voedselprijzen waren toen heel hoog. De vraag is of dit kwam omdat overheden biobrandstof stimuleerden, of dat er andere redenen waren.’

H: ‘Nog een aanvulling (lachend), ja we vullen elkaar mooi aan. Het verband tussen de voedselcrisis en de enorme vlucht die de productie van biobrandstof nam, is zeker niet één op één. Want rond die tijd waren ook de brandstofprijzen enorm hoog, dat werkt door in de voedselprijzen.’

Maar toch: voedsel in biobrandstof klinkt niet zo effectief.
H: ‘Als je in de keten kijkt, zijn er heel veel inefficiënties. Onder meer door het overheidsbeleid. Boeren worden vaak vrijgesteld van brandstofbelastingen. En als een overheid biobrandstof subsidieert, zijn de opbrengsten voor de boer kunstmatig hoog. Dus kan hij meer kosten maken. Neem een boer die voedselgewassen verbouwt, die heeft brandstof nodig om op de tractor te rijden. Daar gebruikt hij diesel of benzine voor. Zo kan het, in theorie, dat er meer dan een liter diesel gebruikt wordt om een liter biodiesel te produceren. Dat is natuurlijk bizar.’

P: ‘Er zijn inderdaad studies die tonen dat biobrandstof slechter is voor het klimaat dan gewone benzine en diesel.’

Dat is een paradox. Biobrandstoffen zijn toch juist bedacht om minder fossiele brandstoffen te gebruiken?
H: ‘Exact. Je doet het om CO2-uitstoot en klimaatverandering in te perken, maar door de perverse prikkels die subsidies vaak geven, zoals economen maar al te goed weten, ben je verder van huis.’

P: ‘Belangrijk is om te bepalen wat je wilt bereiken met biobrandstof. Wil je minder uitstoot van broeikasgassen? Wil je minder afhankelijk zijn van bepaalde olieproducenten? Of doe je het om de werkgelegenheid te steunen, iets wat vooral in ontwikkelingslanden gebeurt. In Brazilië is de technologie van bio-ethanol al vijftig jaar in zwang, omdat het land minder afhankelijk wilde zijn van de internationale oliemarkt. Er is competitie tussen de drie doelstellingen klimaat, markt en werkgelegenheid, hoewel het meestal om alle drie gaat. ’

Dus moet je prioriteiten stellen. Wat vinden jullie nu echt belangrijk?
P: ‘Dat is een moeilijke vraag. Als we nu stoppen met het maken van biobrandstoffen, is dat niet per se een oplossing voor alle problemen. Het is goed dat we nieuwe technologieën ontwikkelen: bijvoorbeeld brandstof maken van algen. Dat gebeurt nog niet op grote schaal. Daar kan de overheid beleid op ontwikkelen en wetenschappelijk onderzoek financieren.’

‘Schaf nou die perverse prikkels af’

H: ‘Absoluut. Wil je als land groeien met je economie, maar tegelijkertijd het milieu niet meer belasten, dan heb je technologische ontwikkeling nodig. Kan niet anders.’

P: ‘Ik zou ook graag zien dat er meer onderzoek komt naar afval. Daar gaan we niet slim mee om, op dat gebied kunnen we veel verbeteren.’

Afval in de tank, waar moet je dan aan denken?
P: ‘Alles wat organisch is: houtsnippers, blaadjes, takjes en dierlijk afval zoals botten. Kijk naar Amsterdam, waar veel afval is. Dat gaat nu grotendeels de verbrandingsoven in. Als je het afval beter scheidt, houd je iets over om biobrandstof van te maken.’

H: ‘Je kunt ook een specifiek gewas gebruiken dat niet geschikt is voor consumptie, maar wel voor biobrandstoffen. Zoals jatropha. Dat verbouw je op marginale grond, zodat het niet concurreert met voedsel.’

Jatropha, is dat dan de oplossing?
(Hofkes en Pattberg schieten in de lach)
H: ‘Nou ja, dé oplossing? Het is een ontwikkeling die kan bijdragen aan een oplossing.’

P: ‘Het ligt nog wat complexer. Jatropha is beter dan concurreren met voedsel. Maar je kunt op die grond ook bomen laten groeien, die juist CO2 uit de lucht halen. Dan heb je een negatieve emissie. Er zijn mensen die zeggen dat dat nodig is om de klimaatdoelstellingen te behalen.’

Jullie hebben destijds een open brief ondertekend waarin jullie met andere wetenschappers minister Wiebes en staatssecretaris Van Veldhoven oproepen tot een verbod op het gebruik van voedselgewassen voor biobrandstof.
H: ‘Dat klopt. Wat ik als heel belangrijk punt zie, is het negatieve effect dat het heeft op biodiversiteit en klimaat.’

P: ‘Er zijn betere manieren om minder broeikasgassen uit te stoten dan voedselbiobrandstoffen, daar zijn we het over eens. Ga voor afval of algen. De overheid moet tussen al die verschillende terreinen de innovaties stimuleren, dan komt er vanzelf een winnaar naar boven.’

Wat is jullie advies aan de beleidsmakers van het EU-biobrandstoffenbeleid?
H: ‘Je moet als overheid niet meteen een technologie eruit pikken en zeggen: die gaan we stimuleren. Biobrandstof kan een goed idee zijn, maar je moet leren van wat er gaande is. Mijn advies is: stimuleer de ontwikkeling van nieuwe milieuvriendelijke technologie. En coördineer het beleid op internationaal niveau. Dat kan bijvoorbeeld via de Verenigde Naties. Want net als bij het klimaatbeleid, geldt ook hier dat we niet in ons uppie de problemen kunnen aanpakken. Anders exporteer je de problemen.’

P: ‘Stimuleer onderzoek en innovatie.’
H: ‘En geef geen perverse prikkels.’

En dan voedselbiobrandstoffen uitfaseren?
H: ‘Dat gaat dan automatisch. Het zijn de subsidies die zorgen voor een groeiende vraag naar biobrandstoffen van voedselgewassen. Dat is waarom ik zeg: schaf nou die perverse prikkels op de productie van biobrandstoffen af.’

P: ‘Maar schaf dan ook die honderden miljarden subsidies voor de fossiele industrie af.’
H: ‘Absoluut. Ook die subsidies zijn verkeerd.’

hofkes-pattberg

Marjan Hofkes is hoogleraar Milieukunde bij het Instituut voor Milieuvraagstukken en de School of Business and Economics van de VU. Hofkes doet onderzoek naar marktvormen die de overgang naar hernieuwbare energie stimuleren, en economische (groene) groei die geen impact op de natuurlijke leefomgeving.

Philipp Pattberg is hoogleraar Milieuanalyse en hoofd van de afdeling milieu-analyse bij het Instituut voor Milieuvraagstukken, waar gekeken wordt naar klimaat, biodiversiteit, ecosystemen, water en oceanen. Hij onderzoekt klimaatbeleid en bekijkt hoe niet-overheidsinstanties – van Greenpeace tot Shell – een rol spelen in klimaatoplossingen.